Een kampvuur maken: zo pak je het veilig aan header image

Een kampvuur maken: zo pak je het veilig aan

Gewijzigd di 15 sep
Een knisperend kampvuur hoort bij het ultieme buitengevoel. Maar voor je een lucifer bovenhaalt, moet je weten waar vuur mag, welk hout je nodig hebt en hoe je het veilig weer dooft. Expert Brecht toont hoe je het aanpakt.
foto_bio_auteur

Brecht Steenwegen

Bezieler en hoofdinstructeur bij Outdoorschool


Stap 1: check of je vuur mag maken

Voor je ook maar één takje sprokkelt, komt de belangrijkste vraag: kan ik hier veilig vuur maken? Een voorziene vuurplaats of vuurschaal heeft altijd de voorkeur, maar kijk ook naar de omstandigheden: “bij droogte, harde wind, overhangende takken of brandbaar materiaal in de buurt laat je het vuur beter achterwege.”

“Check ook altijd de lokale regels, want die verschillen per regio en moment. In bossen en natuurgebieden mag je niet zomaar vuur maken en bij droogte kunnen extra verboden gelden. Kijk daarom vooraf op de website van het natuurgebied of de gemeente waar je naartoe gaat.”

Twijfel je? Dan is de veiligste keuze om geen vuur te maken.” Vraag jezelf tot slot af: heb ik dit vuur echt nodig? Als het risico groter is dan de meerwaarde, laat je het beter uit.”


Vuur maken is voorbereiding. 99% van een geslaagd kampvuur zit in wat je doet vóór je het aansteekt.
- Brecht Steenwegen

Brandend kampvuur op een hoger gelegen plek met bomen, water en bergen op de achtergrond.

Stap 2: verzamel wat je nodig hebt

“Vuur maken is voorbereiding”, weet Brecht. “Weet je zeker dat je op je bestemming vuur mag maken? Verzamel dan tijdig je materiaal, in plaats van pas te beginnen zoeken wanneer je het koud krijgt. Kom je onderweg al droge tondel en geschikte takjes tegen? Neem ze dan alvast mee.”

Voor een goed kampvuur heb je niet zomaar hout nodig. Brecht deelt je brandstof op in drie categorieën: tondel, aanmaakhout en brandhout.

Tondel

“Dat is het fijnste, makkelijkst ontvlambare materiaal waarmee je je vuur start. Denk aan droog plantenpluis, een watje, droogkastpluis of berkenschors. Vooral wanneer je een firesteel gebruikt, is goede tondel belangrijk: een vonk zet je immers niet rechtstreeks om in een brandende tak.”

Aanmaakhout

“Dat zijn de fijne, droge takjes waarmee je van die eerste vlam naar een echt vuur gaat. Begin flinterdun en bouw geleidelijk op: van luciferdik naar satéprikker-, pink-, duim- en uiteindelijk polsdik hout.

Brandhout

“Dat voeg je toe zodra het vuur stevig brandt en een kolenbed vormt. Hardhout zoals eik, beuk en es brandt langzaam en levert mooie gloeiende kolen. Zachter hout houdt de vlam makkelijker gaande. Met naaldhout moet je extra opletten: het brandt snel en intens en kan veel vonken produceren.”

Dé voorwaarde? “Gebruik droog, dood hout. Hout dat op de grond ligt, trekt makkelijk vocht aan. Zoek liever rechtopstaand dood hout of droge takken die ergens zijn blijven hangen.”

Brechts snelle test: “breekt een dun takje met een droge, heldere krak? Goed teken. Buigt het eerder mee en blijven er vezels aan de breuk hangen, dan zit er waarschijnlijk nog te veel vocht in.”


Close-up van aanmaakhout en vlammen met een rood Victorinox-zakmes op de voorgrond.

© Joris Put 


Stap 3: bereid een veilige vuurplaats

Een kringetje stenen maken en klaar? Niet helemaal. “Zo’n steen van tien centimeter houdt een vlam niet tegen”, waarschuwt Brecht. De grootste valkuil zit bovendien niet noodzakelijk naast of boven je vuur, maar eronder.

“Bosgrond bevat vaak een laag humus, bladeren en fijne wortels die door de hitte kan beginnen smeulen. Zelfs in de winter kan vuur zich zo ondergronds verspreiden. Gebruik daarom liefst een bestaande, voorziene vuurplaats. Maak je op een plek waar dat toegestaan is zelf vuur, zorg dan dat er rond en onder het vuur geen humus, wortels of ander brandbaar materiaal kan beginnen smeulen.”


Tip: hou je spullen op afstand

“Een rugzak, schoenen of tent hoeven niet letterlijk in de vlammen te liggen om schade op te lopen: urenlange stralingswarmte kan materialen behoorlijk heet maken, zelfs op enkele meters afstand.”


Klein kampvuur met brandende houtblokken en opstijgende rook in een bosrijke omgeving.

© Outdoorschool 


Stap 4: bouw je kampvuur van klein naar groot

Alles verzameld? Leg je hout dan alvast op volgorde van dun naar dik naast je vuurplaats. “Zo hoef je niet halsoverkop nieuwe takjes te zoeken terwijl je eerste vlammetje alweer uitdooft.”

“Maak vervolgens een droog platform van enkele takjes, zodat je vuur niet rechtstreeks op een vochtige bodem start. Leg daarop je tondel en bouw erboven met fijne takjes een luchtige constructie.” Brecht legt enkele iets dikkere takjes kruislings over elkaar. Zo ontstaat een verhoogd steunpunt waartegen je fijnere takjes kunt leggen én kan er langs onder zuurstof bij het vuur.


Tip: zorg voor véél fijne takjes

“Denk je dat je genoeg fijne takjes hebt? Verzamel er drie keer zoveel. Beginners gaan bijna altijd te snel van kleine naar dikke stukken hout. Er is nog nooit iemand bij Outdoorschool geweest wiens vuur uitging omdat hij te veel fijne takjes had.”


Meerdere personen zitten samen rond open vuur met bomen, tenten en lichtslingers op de achtergrond.

© Outdoorschool 


Stap 5: steek je kampvuur aan

Voor beginners is een gewone aansteker volgens Brecht de eenvoudigste keuze. Ook met lucifers lukt het, al vragen die buiten wat meer finesse. “Krijg je je vuur met één lucifer aan, dan weet je dat je opbouw goed zit.”

Een firesteel of vuurstick vraagt iets meer techniek. Je strijkt met de schraper over de staaf zodat hete vonken op je tondel vallen. Omdat een vonk geen takje rechtstreeks in brand zet, heb je heel droge, luchtige tondel nodig. Waarom Brecht er graag eentje gebruikt? “Hij blijft ook bij nat en koud weer bruikbaar en gaat heel lang mee. “En vuur maken met vonken is gewoon leuk”, geeft hij toe.

Zodra je tondel brandt, voeg je snel genoeg fijne takjes toe om de vlam te voeden. Brandt dat goed? Ga dan stap voor stap naar dikker hout. Prop het geheel niet vol: een vuur heeft behalve warmte en brandstof ook zuurstof nodig.


Tip: wat als alles nat is?

“Hoe harder je je vuur nodig hebt, hoe moeilijker het zal worden om het te maken”, vat Brecht het mooi samen. Want juist als je verkleumd en nat op je kampplaats aankomt, ligt het makkelijkste brandhout natuurlijk óók nat te worden.

“Zoek daarom naar dood hout dat nog rechtop staat of takken die boven de grond zijn blijven hangen. De buitenkant kan vochtig zijn terwijl het hout vanbinnen droog is: door een dikkere tak te klieven, kom je bij die droge kern.”


Groep mensen zit rond een brandende vuurkorf tijdens een avondbijeenkomst in de buitenlucht.

© Joris Put 


Stap 6: doof het kampvuur écht volledig

“Gooi het laatste uur geen nieuw brandhout meer op het kampvuur. Laat het vuur uitdoven en de laatste kolen opbranden.” Brecht haalt grotere stukken hout uit het vuur, schuurt de gloeiende kooltjes eraf en maakt de resterende kolen met een stevige stok zo klein mogelijk.

Gebruik je liever water, giet dat dan voorzichtig over de kolen en roer alles grondig om. “Let op voor hete stoom, opspattende as en kooltjes.”

Wanneer is het écht uit? Daar heeft Brecht een simpele test voor: “je moet je hand zonder probleem op het kolenbed kunnen leggen en de overgebleven stukken hout kunnen vastpakken. Pas dan is het vuur echt uit.”


Veelgestelde vragen over vuur maken

Dat hangt af van het gewest en de locatie. In bossen en natuurgebieden mag je in België niet zomaar een kampvuur maken. Gebruik alleen een voorziene vuurplaats waar vuur uitdrukkelijk is toegestaan en check vooraf de regels van de beheerder of gemeente. Bij droogte kunnen tijdelijke verboden gelden.

Je hebt een ontstekingsbron nodig, zoals een aansteker, lucifers of firesteel, plus droge tondel, fijn aanmaakhout en dikker brandhout. Zorg ook vooraf dat je het vuur veilig kunt doven.

Veel rook en weinig vuur? Meestal gaat er iets mis met één van drie dingen: je gebruikt vochtig materiaal, je gaat te snel over op dikke stukken hout of je constructie krijgt te weinig zuurstof. Droge bladeren en dennennaalden lijken verleidelijk, maar zijn geen goede basisbrandstof voor een stabiel vuur. Ga terug naar fijn, droog aanmaakhout en geef de constructie voldoende lucht.

Leg eerst tondel en fijn, droog aanmaakhout in het midden van de vuurschaal en zorg dat er voldoende ruimte tussen zit voor zuurstof. Steek de tondel of het aanmaakhout aan en voeg pas dikkere takken of brandhout toe zodra het vuur goed brandt. Ook in een vuurschaal geldt dus: begin klein en bouw geleidelijk op. Zet de schaal altijd stabiel en op een veilige, niet-brandbare ondergrond, uit de buurt van droog gras, overhangende takken en ander brandbaar materiaal.



Laat je verder inspireren



Cookie-instellingen voor de beste online ervaring

Om je de beste online ervaring te bieden, maken wij gebruik van marketing, analytische en functionele cookies en vergelijkbare technologieën. Raadpleeg onze cookie policy voor meer informatie. Ook derden en sociale netwerken kunnen cookies plaatsen via onze website om je gepersonaliseerde advertenties buiten de website te tonen. Door “Alles accepteren” te selecteren, ga je hiermee akkoord. Om dit niet steeds opnieuw te vragen, slaan wij je voorkeuren voor het gebruik van cookies voor twee jaar op. Je kan je voorkeuren op elk moment wijzigen via de cookie policy button onderaan alle pagina's.